zongen over pluimen en wat veren, en een lege boekenkast. We waren
kamaraden bij een kampvuur, de dag was ons genoeg. We genoten en we
dronken. Het was onze kroeg. Het leven was een feest, we waren in vol
genot. Maar we gingen net te ver, het beknelde ons strot. Toen kwam
het einde. Een voorgeschreven lot.
Dus zongen wij nog één maal. Over vriendschap en nood. Een laatste
lied. Voor de kamaraden en de dood.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten