19.11.10

Door de storm.


Op een koude lentedag, in het begin van mei. Snijdend door het 
landschap, rijdend in een lijn.

Het is echt stormweer, de regen knalt tegen het raam. Het dak lijkt te 
kraken door de druppels die vallen. De grijze wolken maken het donker, 
de warmte van hierbinnen lijkt misplaatst.

Ik kan niet veel zien door de ramen. Het temperatuurverschil heeft ze 
doen beslaan.

Maar het is een mooi gevoel zo, door de storm in de trein. Iedereen 
kijkt naar buiten en alle stemmen zijn stil. Allemaal luisterend naar 
de storm van vandaag.

Het.



Het is hetgeen wij het liefste willen, 
maar niet kunnen besturen.


Het is het geen wij het hardste nodig hebben, 
maar niet kunnen creëren.


Het is het geen wij naar verlangen, 
maar nooit meer zullen krijgen.



Het gaat aan ons voorbij.

Wij kunnen het niet tegenhouden.
Het gaat altijd door.




Het is het enige dat alles bepaald.

Het alles dat ooit zal blijven.

Het enige, dat altijd zal blijven.




Het is alles, volledig, compleet.

Het is eeuwig, eenzijdig, ondoordringbaar.

Het is onaantastbaar, ongrijpbaar.



Het is van ons, van iedereen, van alles.



Het is er.

13.9.10

Wie wij zijn.

Chapter 1
Je keek me aan met een blik van herkenning. De dokter zei dat het onmogelijk was. Je zou het je nooit meer kunnen herinneren. Maar toch zag ik iets in die blik. Een klein vonkje.

Ooit waren jij en ik wij. We gingen samen. Samen onze eerste date. Samen onze eerste kus. Samen ons eerste diner. Samen ons eerste appartement. Samen naar jouw eerste vlucht naar New York.

Je moest weg voor je eindstage. Je had iets moois gevonden in New York. Je had altijd al daar heen willen gaan, maar het was er nooit van gekomen. En nou mocht je zomaar een half jaar daar betaald verblijven. Je was dolgelukkig.

Ik iets minder.

Ik was je voor een half jaar kwijt, dat wist ik zeker. Maar ik troostte me met de gedachten aan je terugkomst. Dat moment dat ik op Schiphol zou wachten, tot jij door die schuifdeuren kwam die je altijd ziet bij Hello Goodbye. Ik zag het zo voor me.

Het was de avond dat ik jou op zou halen. Een ping van mijn beste vriend, rond 8 uur. “Kijk nu op ned. 1” stond er. Ik zet het nieuws aan en het eerste dat ik zie was een staart.

Een staart van een vliegtuig. Het lag ongeveer 50 meter verwijderd van de rest van het vliegtuig. Althans, wat daar van over was. Een wrak.

Ik keek snel op het papiertje waarop ik die sms van jou had geschreven. “Staartnummer: PH-CKC” stond ergens halverwege. Ik keek weer naar het scherm. “PH-CKC” stond daar ergens.

Chapter 2
Ik was verdoofd. Zo verdoofd dat ik het commentaar van die vrouw, hoe heet ze ook al weer, niet hoorde.

Ik spoelde terug, terug naar het begin van het bericht. “Vliegtuig vanuit New York … type 747-400F van KLM … neergegaan nog voor de landing … woonwijk … één overlevende … overgebracht naar het ziekenhuis”. Mijn aandacht werd opeens getrokken. Mijn hart ging tekeer.

Het volume ging harder, ik wilde niets missen. “De politie geeft geen commentaar over de situatie van de vrouw of hoe zij deze ramp heeft kunnen overleven. Wel heeft de politie te kennen gegeven zo spoedig mogelijk contact te zoeken met haar familie…”.

Uren heb ik gezeten en alleen maar gestaard naar mijn telefoon. Uren heb ik niet bewogen, niet geslapen, niet gegeten, niet gedronken. Uren heb ik gehoopt en gebeden.

En opeens, toen ik bijna in slaap viel. Lichtte mijn display op. De trilfunctie begon en, precies zoals ik had ingesteld, daarna mijn ringtone. En zo cynisch als het maar zijn kon, was het een nummer van het album “There’s Something About Airplanes” van Death Cab for Cutie. Ik weet alleen niet meer precies welke.

Met trillende handen nam ik op. Het deed me goed om de stem van jouw moeder te horen. Niet alleen omdat  het de kansen vergrootte, maar ook omdat die stem mij altijd kalmeert. Ik wordt er rustig van.

Een traan kwam uit mijn oog toen ik het hoorde. Mijn wens, mijn grootste gebed was gehoord. Jij was die ene vrouw. Die wonderbaarlijke vrouw die de ramp had overleefd. Hoe kon het…

Chapter 3
Ik zat in de auto, onze auto. Het was stormweer, de eerste herfstdag van het jaar. De tegemoetkomende auto was alweer voorbij dus ik zette het groot licht weer aan.

De afrit was al in zicht. Ik had deze afrit al zo vaak genomen, maar nog nooit had ik dit gevoel erbij. Het was ondragelijk. En de storm midden in de nacht hielp er ook niet bij.

Jouw huis lag vlak naast de snelweg. Je had me ooit verteld dat je ouders hierdoor nog erg twijfelde of ze het, ondertussen weer 6 jaar geleden, wel zouden kopen. Gelukkig deden ze dat. Het is een mooi huis en binnen merk je er niets van.

We hadden toen ook nog samen jouw kamer ingericht, ik weet het nog wel. Het was helemaal zoals je oude kamer was. We hadden iedere bouwmarkt in de buurt afgezocht voor dat zelfde behangetje. Dat was een leuke tijd.

Ik stapte uit de auto uit en rende meteen door naar de voordeur. Ik had mijn pak nog aan, niet de mogelijkheid gehad me om te kleden. Ik belde al aan en de deur werd meteen open gedaan. “Ze ligt in Amsterdam” zei je vader en hij deed zijn jas aan.

Jouw moeder stond daar nog achter, haar ogen waren rood. Ik zag meteen dat zie die ene ketting om had. Die ze ook om had toen zij het ongeluk overleefde. Ze geloofde heilig in dat kruis.

We sprintten alle drie naar de auto. Ik ging weer achter het stuur en je ouders achterin. Zoals dat altijd ging.
Maar die plek naast mij was leeg. Altijd als je ouders er bij waren, zat jij naast mij. Maar deze keer, deze keer was het anders. Jij was niet hier, je was in Amsterdam.

En daar gingen wij heen.

11.8.10

Jij en jouw boontje.

Ik herinnerde me opeens dat ik jou vroeger leuk heb gevonden.

We waren hele goede vriendjes in die tijd. Onafscheidelijk. Waar jij was, was ik. We hadden de grootste lol samen en we hoorden zo bij elkaar. Samen luisterden we naar jouw boontje en we leerden van elkaars muziek. Ik net iets meer van die van jou.

Maar zoals altijd in deze situaties bloeide bij een van ons iets op. Dat was bij mij. En dat iets, dat was verliefdheid.

Het was moeilijk voor mij om het niet toe te geven. Maar ik wist dat als ik het zou doen onze band zoals we die toen hadden zou verdwijnen. Een verliefd jongetje en een niet verliefd meisje kunnen natuurlijk niet samen zijn. Ik koos er voor om het niet te vertellen om onze vriendschap in stand te houden.

Een schooljaar later zaten we niet meer bij elkaar in de klas. Jij kreeg nieuwe vrienden en ik ging ook verder. We groeiden uit elkaar en de vriendschap was over. Zo af en toe spraken we elkaar en zeiden we dat we onze oude vriendschap soms wel misten, maar het is eigenlijk nooit echt terug gekomen.

Wat zou er gebeurt zijn als ik het toen wel had gezegd? Zouden we nu dan nog vrienden zijn? Of zouden we vriendje en vriendinnetje zijn? Ik heb jou wel een keer verteld dat ik jou toen leuk vond. Jij vertelde mij dat jij mij ook leuk vond. Wat heb ik toen stiekem nog gebaald. Ik had er zelfs nog over gedroomd.

En nu gaan we waarschijnlijk definitief uit elkaar. We gaan twee verschillende richtingen op. Ik naar Nijmegen. Waar ga jij eigenlijk heen? Ik weet het niet eens. Je zult het me ooit wel een keer verteld hebben, maar ik ben het vergeten.

Soms mis ik onze vriendschap. Soms, zoals nu. Maar ik kan het nu niet meer tegen je vertellen.

10.8.10

Karma.

Die geur. Ik zal hem nooit meer vergeten. Een mix van vreemde geuren. Zoals ze nooit samen horen te zijn.

Vlees en hout. Haar en plastic. De vieze stank van vuur. Er was brand in jouw appartement.

Ik werd net na twaalven gebeld door jouw moeder. Tegen enen was ik ter plaatse. Niet dat het veel uitmaakte. De brand was toen al geblust.

De brandweermannen verklaarden later dat de brand was ontstaan door kortsluiting in jouw mobieltje. Op het nieuws zeiden ze dat er twee slachtoffers waren. In het rapport stond dat ze samen op bed lagen. Verbrand in hun slaap.

Tja, karma get’s back at you. Had je maar niet vreemd moeten gaan.

En hoe die kortsluiting was ontstaan?

Ik smsde hoeveel ik van je hield.

Sterven.

Misschien is sterven wel het lekkerste gevoel dat er bestaat.
Een ultiem orgasme van pure emoties
dat iedere vezel in je lichaam prikkelt
en alles om je heen omarmd
en je langzaam opslokt.
Tot je laatste adem
en dat je dan denkt
'wauw'.

9.8.10

De Tulpenboom.

Ik zag je daar inderdaad onder die tulpenboom. Die ene roze, precies waar we hadden afgesproken.

Je was mooi als ik me herinnerde. Je huid was zacht als ik wist. Je geur was zo lekker, precies als mijn lakens. Je lippen waren mooi, zo lekker, zo lief.

Je ogen waren als blauwe oosterse zeeën. Precies zoals ik ze voor het laatst zag. Met een klein zwart gat in het midden, dat mij van binnenuit las.

En toen ik je hand pakte, voelde ik je vingers. Die mooie vingers die alleen op jouw hand zitten. En ik streelde je arm, zoals alleen bij jouw arm kan.

Daar lagen wij samen, verborgen in het gras. Boven op de heuvel bij de ondergaande zon. De tulpenboom, jouw favoriete boom, bloeide in volle glorie. De roze blaadjes vulden de hemel. En tevreden sloot ik mijn ogen. De hele wereld werd zwart.

Toen ik ze weer open deed zag ik het licht door ons raam komen. Je sliep nog precies, zoals ik je gisteravond had achtergelaten. Even nadat wij afspraken bij die roze tulpenboom, in onze dromen.

7.8.10

In onze dromen.

We spraken af bij die ene gewone tulpenboom.

In een wereld waar in we rijk zijn. Een wereld waar ieder groot huis van ons is en wij vijf auto’s kunnen rijden.
In een wereld waar wij iedereen kunnen trouwen die wij willen. In een wereld waar er geen out-of-my-leagues bestaan.
In een wereld waar we kunnen vliegen en eeuwig door kunnen blijven gaan.

Toch kozen wij gewoon, dood normaal elkaar te zien onder die ene roze tulpenboom.

Dat moet toch iets betekenen?

23.4.10

De zin.

Het is het zoeken naar woorden. Het is het spellen van iets, het
verschuiven van letters en het verplaatsen van woorden. Het is het
kijken en veranderen. Het zien en het horen. Het is het maken van die
ene zin.

Ooit zal ik weer schrijven, maar tot die tijd ben ik nog zoekend. Het
zoeken naar de woorden om een zin te maken. Die ene zin om een leven
op te bouwen. Die ene zin om op te schrijven.

13.4.10

Redecoration.

Waar heb jij last van vroegen ze mij laatst.

Het niet kunnen schrijven wat je wilt. Het missen van woorden om jezelf te uiten. Het willen typen maar niet kunnen. Het niet weten wat er mis is...

Ze keken me raar aan.

10.2.10

Een aanraking.

Ik voelde jouw huid op de mijne. Het was een raar gevoel. Ik kon het eerst niet thuisbrengen, ik had het nog nooit meegemaakt op deze manier. Nooit kwam het zo plotseling. Ik had het totaal niet verwacht. Dat was jouw voordeel.

Jouw hand raakte mij. Eerst nog een beetje, maar het werd steeds
heviger. Ik kon het niet meer stoppen.

Jouw vuist raakte mijn gezicht. Ik hoorde mijn neus breken. Een
pijnscheut schoot richting mijn hersenen, mijn ogen werden zwart. Dit
was al de laatste ronde, ik kon niet meer terugkomen. Jij werd de
nieuwe kampioen. De winnaar van de wedstrijd. De overwinnaar van het
leed. Ik had gefaald. Ik was verslagen. Je hebt terrecht overwonnen,
gefeliciteerd.

Toen daar.

Wij lagen daar samen. Het was een wondernacht. Niemand zei iets, we keken alleen maar. Het maakte niet uit wat we deden of hoe we het deden. Als we het maar deden. Het was een nacht van ons, een nacht om van te genieten. We waren verliefd, al kenden we elkaar pas 1 avond. We dachten 'ik hou van jou' en vreeën de hele avond. We konden niet meer stuk.

6.2.10

De nacht.

Wat is er mooier dan de nacht?

Wat is er mooier dan de stilte? Het geluid van niets, het drukken op je oren. Het horen van ieder klein geluid. Wat is mooier?

Wat is er mooier dan de donkerheid? De pure duisternis, het niets zien. Het inbeelden van schimmen, het bedenken wat het is. Wat is er mooier?

Wat is er mooier dan de eenzaamheid? Het alleen zijn, het niemand tegenkomen. Het doen wat je wilt, het zitten naast de straat. Wat is er mooier?

Wat is er mooier dan de tijdloosheid? Het niets moeten, het niets doen. Het gaan wanneer je wilt, het komen naar jouw verlangen. Wat is er mooier?

Wat is mooier dan het eindeloze denken? De stilte die je nooit verstoord, de donkerheid die je niet blokkeert, de eenzaamheid die niet door je heen praat en de tijdloosheid die je laat denken.

Wat is er mooier dan de nacht?

5.1.10

Alice and the Footman.

Alice went timidly up to the door, and knocked.

"There's no sort of use in knocking," said the Footman, "and that for two reasons. First, because I'm on the same side of the door as you are. Secondly, because they're making such noise inside, no one could possibly hear you."

And certainly there was a most extraordinary noise going on within --a constant howling and sneezing, and every now and then a great crash, as if dish or kettle had been broken to pieces.

"Please, then," said Alice, "how am I to get in?"
"There might be some sense in your knocking," the Footman went on without attending to her, "if we had the door between us. For instance, if you were inside, you might knock, and I could let you out, you know." He was looking up into the sky all the time he was speaking, and this Alice thought decidedly uncivil. "But perhaps he can't help it," she said to herself; "his eyes are so very nearly at the top of his head. But at any rate he might answer questions --How am I to get in?" she repeated, aloud.

"I shall sit here," the Footman remarked, "till to-morrow--"

At this moment the door of the house opened, and a large plate came skimming out, straight at the Footman's head: it just grazed his nose, and broke to pieces against one of the trees behind him.

"--or next day, maybe," the Footman continued in the same tone, exactly as if nothing had happened.
"How am I to get in?" Alice asked again in a louder tone.
"Are you to get in at all?" said the Footman. "That's the first question, you know."


[Uit 'Alice in Wonderland' van Lewis Carroll]