Jouw hand raakte mij. Eerst nog een beetje, maar het werd steeds
heviger. Ik kon het niet meer stoppen.
Jouw vuist raakte mijn gezicht. Ik hoorde mijn neus breken. Een
pijnscheut schoot richting mijn hersenen, mijn ogen werden zwart. Dit
was al de laatste ronde, ik kon niet meer terugkomen. Jij werd de
nieuwe kampioen. De winnaar van de wedstrijd. De overwinnaar van het
leed. Ik had gefaald. Ik was verslagen. Je hebt terrecht overwonnen,
gefeliciteerd.