10.2.10

Een aanraking.

Ik voelde jouw huid op de mijne. Het was een raar gevoel. Ik kon het eerst niet thuisbrengen, ik had het nog nooit meegemaakt op deze manier. Nooit kwam het zo plotseling. Ik had het totaal niet verwacht. Dat was jouw voordeel.

Jouw hand raakte mij. Eerst nog een beetje, maar het werd steeds
heviger. Ik kon het niet meer stoppen.

Jouw vuist raakte mijn gezicht. Ik hoorde mijn neus breken. Een
pijnscheut schoot richting mijn hersenen, mijn ogen werden zwart. Dit
was al de laatste ronde, ik kon niet meer terugkomen. Jij werd de
nieuwe kampioen. De winnaar van de wedstrijd. De overwinnaar van het
leed. Ik had gefaald. Ik was verslagen. Je hebt terrecht overwonnen,
gefeliciteerd.

Toen daar.

Wij lagen daar samen. Het was een wondernacht. Niemand zei iets, we keken alleen maar. Het maakte niet uit wat we deden of hoe we het deden. Als we het maar deden. Het was een nacht van ons, een nacht om van te genieten. We waren verliefd, al kenden we elkaar pas 1 avond. We dachten 'ik hou van jou' en vreeƫn de hele avond. We konden niet meer stuk.

6.2.10

De nacht.

Wat is er mooier dan de nacht?

Wat is er mooier dan de stilte? Het geluid van niets, het drukken op je oren. Het horen van ieder klein geluid. Wat is mooier?

Wat is er mooier dan de donkerheid? De pure duisternis, het niets zien. Het inbeelden van schimmen, het bedenken wat het is. Wat is er mooier?

Wat is er mooier dan de eenzaamheid? Het alleen zijn, het niemand tegenkomen. Het doen wat je wilt, het zitten naast de straat. Wat is er mooier?

Wat is er mooier dan de tijdloosheid? Het niets moeten, het niets doen. Het gaan wanneer je wilt, het komen naar jouw verlangen. Wat is er mooier?

Wat is mooier dan het eindeloze denken? De stilte die je nooit verstoord, de donkerheid die je niet blokkeert, de eenzaamheid die niet door je heen praat en de tijdloosheid die je laat denken.

Wat is er mooier dan de nacht?