30.11.09

Het station.

Ik zit op het station. Perron 6 het tweede bankje. Rechter plaats. Ter hoogte van stoeptegel 2.362 en naast reclamebord 7. Voor mij staat een oudere man, hij kijkt verdwaalt om zich heen, alsof hij het helemaal niet snapt. Rechts van mij zie ik een vrouw met koffer, een echte reiziger. Ze loopt snel langs en schijnt de weg te weten.

Achter haar loopt een studente samen met een grote, ingepakte doos. Tja, het is weer sinterklaas, tijd voor suprise. Naast haar loopt een andere studente, ze blijken vriendinnen te zijn. Maar toch lopen ze erg ver uit elkaar. Wat raar.

Links komt een twintiger aangelopen. Misschien wel net dertig, ik weet het niet. Hij ziet er uit alsof hij nog niet heeft gegeten en in zijn rechter hand heeft hij een papieren zak. Burger King zegt het. Hij gaat zitten naast mij, linker plaats. Stoeptegel 2.348 en naast reclamebord 6.

Grabbelt wat in zijn zakje, pakt een dubbele Whopper en eet. Voor mij een vader met vrouw en kinderen, bovenop perron 5. Ze lopen met zijn vieren, snel maar vermoeid. Duidelijk een dagje weg geweest. De kinderen sjokken.

Daar de NS, de medewerkers. Ze stoppen de man met een peuk in zijn hand. Ik kan het niet horen maar toch weet ik de woorden. “U mag hier niet roken, ik verzoek u vriendelijk. Doof de sigaret en gooi hem weg.” De peuk gaat uit, verdwijnt in de prullenbak. NS knikt, man lacht. Opgelost.

En daar zit een jongen, misschien nog net 17. Duidelijk vermoeid. Hij kijkt om zich heen en lijkt zich van alles af te vragen. Waarom doen al die mensen dit? Hij kijkt op zijn horloge, verveeld weer omhoog. Hij leeft op de maat van zijn muziek. Tikt met zijn voet op stoeptegel 2.362 en kijkt naar reclame bord 7.

De trein komt aan, jongen staat op. Stap voor stap loopt hij vooruit tot hij de trein bereikt. Mensen stappen uit, een hoop lawaai. Ze lopen naar de trap. De trein rijd weer verder, jongen verdwenen. Het perron is weer verlaten, klaar voor de volgende trein.

29.11.09

Wij zijn samen.

Wij zijn samen. Gemaakt om samen te zijn, om samen te blijven. Wij hebben een band, een onherroepelijk iets. Jij hoort bij mij en ik bij jou. Het is zo.

Wij houden van elkaar. Onze liefde zal blijven bestaan. Het zal bergen beklimmen en oceanen bevaren. Gewoon om ons weer samen te laten komen. We missen elkaar als we weg zijn. We zijn blij als we samen zijn. Wij zijn samen en zullen ook samen blijven.

Soms worden we gek van elkaar, maar daar lachen we later om. Soms hebben we ruzie, maar het komt altijd goed. Soms zijn we eenzaam en troosten wij elkaar. Maar altijd zijn we samen en we houden van elkaar.

Jij helpt mij als ik problemen heb. Jij bent mijn engel en mijn beschermster. Mijn vangnet en verzekering. Jij bent mijn levensgezel.

Wij delen het leven en ons bloed. Wij horen bij elkaar. Wij houden van elkaar. Wij hebben samen de liefde. De liefde van broer en zus.

18.11.09

Kinderjaren.

Wat waren we jong toen. Het was een jaar of 9 denk ik. Echte kinderen, onschuldig en naïef.

We waren verliefd. Op elkaar. Jij op mij en ik op jou. Natuurlijk in een andere vorm dan dat je tegenwoordig verliefd zult zijn, maar wij waren graag bij elkaar. Dus verliefd. Wanneer niemand keek hielden we stiekem elkaars handjes vast. Ik zat altijd naast jou op school, na schooltijd spraken we vaak samen af en gingen met zijn tweetjes naar buiten. Ik gaf jou kusjes op je wang, en jij bloosde iedere keer weer. Samen waren we gelukkig.

We hadden elkaar beloofd het nooit aan iemand te vertellen. Niemand zou het ooit weten. En we geloofden daarin. Zoals je als kind ook in Sinterklaas, elfjes en pratende poppen gelooft. Onze ouders speelden gewoon mee.

Ik weet nog steeds niet wat er daarna was gebeurt. Opeens was jij weg, en ik heb je daarna nooit meer gezien. Het was zo raar. Mijn moeder zei er verder niks over, maar achteraf vermoede ik dat je verhuisd was. Maar waarom had je dat mij nooit verteld?

Het was de laatste dag dat wij elkaar zagen volgens mij. Jij moet het al hebben geweten. Ik wist nog van niets. Als ik het me goed herinner zaten we daar bij die bosjes. Ons vaste plekje. We waren aan het lachen en aan het giechelen. Maar opeens moest jij gaan. Je zou extra vroeg eten zei je. En mama wou dat je op tijd thuis was. Dus ik gaf je nog een kusje op je wang. Je draaide om en dat was het laatste dat ik zou zien. Maar wist ik veel.

Wat waren we jong toen. En ik was zo verliefd. Ik vond jou wel leuk. Jammer dat je weg ging. Ik dacht nog een tijdje aan je. Maar daarna ben ik je vergeten.

15.11.09

De trein naar de Hemel.

De trein raast maar door. Ik zit er in, de stoptrein naar het stukje Hemel. Vol spanning zie ik hoe het landschap mij voorbij knalt, en hoe de mensen om mij heen eigenlijk allemaal hetzelfde doen. Ieder kijkt stom voor zich uit naar buiten en bedenkt in zijn of haar hoofd hele scenario’s van het leven.

Ik ben op weg naar de Hemel. “Station Hel-Centraal” hoor ik de conducteur roepen, en ik kijk naar buiten. “ Jezus”, denk ik. “Wat een klotestad.” De junkies springen nog net niet door het kleine openstaande treinraampje om je geld en je iPod te jatten, maar echt veel scheelt het niet.

De trein vertrekt weer, ik voel de kracht in mijn maag. De stoel lijkt zich om mij heen te vormen naar mate we harder rijden. De conducteur komt langs. Hij vraagt mijn kaartje, ik laat het zien…

Het is niet duur voor een enkeltje naar de Hemel. Een retourtje zal ik namelijk niet nodig hebben. De trein zal mij vandaag niet meer mee terug nemen. Heen is voorlopig genoeg.

Hij kijkt naar mijn kaartje en vraagt of ik ook mijn kortingskaart kan laten zien. Ik zeg natuurlijk meneer, maar het was toch even zoeken. De conducteur kreeg er schijnbaar een beetje genoeg van, zei dat hij het dan maar moest geloven en ging weer haastig verder. Tja, dan niet hè. Lul.

Station Hel-West, nog net iets minder Hel dan Centraal, maar toch zou ik er niet willen wonen. Hierom heb ik dus liever de sneltrein. Want één keer Hel is genoeg voor mij. Maar omdat de snelle om .49 ging, wat ik niet haalde, en de stop om .59, werd het toch maar de stoptrein. Veel keus had ik niet, of ik zou nog een half uurtje moeten wachten. Nu klinkt dat niet lang, maar als je naar de Hemel kan, dan wil je dat ook meteen.


Agh, de Hemel, goede plek op Aarde. Nog even en ik ben er. Vooral nu we weer rijden en de Hel achter ons laten. Straks is het nog maar een keer stoppen, en dan aan een stuk door naar jou.

Het station tussen Hel en Hemel. Tussen het kwijnen en het genieten. Tussen de junkies en de kakkers. De verlossing voor de Hellenaren, maar de boetedoening voor de Hemelnaren. En slechts een object voor het Aardse.


Mijn laatste rit is aangebroken. Het is nu, en dan voorlopig nooit. De laatste lootjes wegen het zwaarst zegt men, maar mij doen ze alleen maar zweven. En zweten. Nog even, heel even. En dan ben ik er.

Ja, daar is het dan. Het eerste perron komt in zicht. Eindelijk is het zover. Ik ga je weer zien. Daar is het, het naambordje. En daar de grote groep met mensen. Daar ergens sta jij. De trein stopt, ik stap uit. Ik kijk rond, op zoek naar jou.


Jij komt de trap op lopen, je ziet nog net de trein aankomen. Jouw hart bonkt in jouw keel en je kijkt al stiekem door de raampjes of je mij al ziet. Jij hoopt het zo. Jij wilt het zo. Nog even en wij zijn weer samen.
Ik zoek jou, ik kijk naar de trap. Ik zie jou daar niet. Zou je er al zijn? Waar ben je, en waar blijf je? Ik kijk naar links, rechts en voor me. Ik zie jou niet. Ik draai om, kijk achter me.

Je zag mij meteen staan. Verward kijken, paniekerig doen. Stiekem kwam je achter me staan, en wachten tot ik je zou zien.

Ik draaide me om, en daar stond jij dan. Het mooiste meisje dat ik ooit had gezien. De pracht in jouw ogen zeiden genoeg tegen mij, woorden hoefden niet meer gesproken te worden. We waren meteen gelukkig. Ik buig me naar jou toe. Ik voel jouw lippen op de mijne, we omhelzen elkaar.

Daar staan we dan samen, in de grote groep mensen die als een grote wolk om ons heen zal verdampen. Langzaam zal hij verdwijnen, maar nu staan wij daar middenin. Gelukkig, samen, in elkaars armen en de monden op elkaar.

Daar staan wij, met zijn tweetjes. Samen op perron 4, station Breda. Eindstation van deze trein.

12.11.09

Haatje.

Het moet lang geleden zijn dat ik me zo heb gevoeld. Dat een persoon mij zo kon inspireren zoals jij dat deed. Het is een applaus voor jezelf waard. Lang geleden dat iemand dit met mij deed.

Door jou ben ik veranderd weet je. Door jou zie ik opeens anders. Door jouw insteek ben ik een andere ik. Jij doet het toch. En je weet het niet eens.

En laten we eerlijk zijn, je bent zeker niet de beste. En er zijn er nog velen die beter kunnen zijn dan jij. Dat kan haast niet anders. Maar toch deed je iets met mij. Misschien omdat jij de eerste echte was. Misschien omdat jij net op het goede moment instapte? Jij deed in ieder geval iets met mij.

Je deed mijn ogen openen, mijn longen vullen en mijn ziel verversen. Jij deed mij ruiken en voelen, zien en proeven. Jij maakte mij bewust van ‘het’. Je liet me zoeken naar ‘het’.

En ja, ik haat je boek. Ik haat het zo godsgruwelijk veel, ik kan het haast niet uitstaan. Maar toch lees ik het. Met veel plezier nog. Het is iets dat jij kan, iets dat jij doet. Ik haat het, dus ik haat jou.

Maar toch ben jij nu een voorbeeld. Ik ken je niet eens, waarschijnlijk ga ik dat ook nooit doen. Ik las pas één boek van je, en waarschijnlijk blijft het daar ook bij. Maar toch haat ik je. Jij laat mij al het moois zien, maar toch haat ik je. Dank je voor deze roman. Het laat mij zoeken. Het laat mij leven.

Ik haat je.

2.11.09

Bedrog.

Ik zeg eerlijk, mij maakte het niet zoveel uit. Maar jij wilde weg,
jij kon mij niet meer jouw trouw beloven zei je. Jij beweerde dat ik
meer verdiende dan jou, iemand die me wel trouw kon blijven. Iemand
die niet na een avond stappen bij een ander in bed belande.

Maar ik zeg eerlijk, ik had je allang vergeven. Ik wilde jou niet
kwijt. Maar toch ging je weg. Dus er was meer. Je was niet alleen.
Laten we niet doen alsof. Hij is daar, dat weten we beiden. Je was van
mij, maar toch bij hem.

Maar het maakt nu allemaal niet meer uit. Ik zal wel verder gaan,
verder moeten. Ik zal het je vergeven, maar niet vergeten. Ik ga nu
verder, maar hoop niet op jouw terugkeer. Ik ga verder, maar blijf jij
maar daar. Je hebt de kans gehad, maar verkeken. Je hebt me
verloren, en zult me niet meer kunnen winnen. Het is over voor mij en
jou.

Jij bent een deel van mij verleden, een deel dat mij heeft gemaakt.
Een deel waarvan ik heb gehouden, en waar ik nu eigenlijk nogsteeds
van houd. Ik mis mijn verleden met jou. Ik mis je. Ik wil je terug.
Kom je alsjeblieft nog terug?

1.11.09

Kamaraden tot aan de dood.

En we zongen over wolken, over dagen. Over hoe het leven was. We
zongen over pluimen en wat veren, en een lege boekenkast. We waren
kamaraden bij een kampvuur, de dag was ons genoeg. We genoten en we
dronken. Het was onze kroeg. Het leven was een feest, we waren in vol
genot. Maar we gingen net te ver, het beknelde ons strot. Toen kwam
het einde. Een voorgeschreven lot.

Dus zongen wij nog één maal. Over vriendschap en nood. Een laatste
lied. Voor de kamaraden en de dood.

Metaforen.

Wij zijn als de zon en de maan. Jij de zon, en ik de maan.

Wij zien elkaar niet, maar horen toch bij elkaar. Als jij er bent, val
ik niet op. Ik ben niets bij jouw warmte en licht.

Zonder jouw straal, ben ik niets. Als jij er niet bent, zal ik er ook
niet zijn. Ik reflecteer alleen jouw pracht.

Men wil altijd jou, maar nooit mij. Jij zal altijd groter lijken, hoe
ver weg we ook zijn.

Ik zal altijd om jouw heen draaien, jij zult mijn middelpunt zijn. Jij
zal de bron van het leven zijn, de kracht van alles. Ik zal jou alleen
dwarsbomen, en jouw kracht verbergen.

Maar toch zal ik blijven, ook al ben jij weg. Dan ben ik een donkere,
onzichtbare vlek. Dan zal ik een van velen worden, als een zonder jou.
Ik zal er zijn, maar nooit meer stralen.

Ik zal er zijn, wachtend op jou.

Niet meer wij.

Het was niet mij, dat kan niet zijn geweest. Het moet een ander zijn, die stiekem naar binnen was geslopen. Het was niet ik, die jou pijn deed. Het was niet mijn leven, dat die van jouw zo beïnvloede.
Het was niet mijn intentie om jou te bezeren, het was niet mijn bedoeling om lastig te zijn. Ik zou dit nooit hebben gewild. Ik wilde alleen maar jou.
Maar toch is het gebeurd, in een waas van gebeurtenissen. Het leven raakte ons hard, het scheidde ons. Wij werden twee, niet langer één.
De spijt schoot mij te binnen. Ik zag wat ik deed. Ik was weer mij. Maar niet meer wij.
Ik mis wij, waar is wij heen? Ik ben hier, maar waar ben jij? Ik mis jou, kom terug.
Alsjeblieft, kom terug…

De schrijver.

Ze noemen mij een schrijver, zei hij met zijn Vlaams accent. Ik dacht: “Maar mij ook.”

Ze noemen mij een schrijver, dacht ik. Maar dat klonk mij toch een beetje raar. Een schrijver schrijft dingen, verhalen en zinnen. Een schrijver maakt moois, een wonder op papier. Een schrijver die doet wat een ander niet zal doen. Een schrijver die schrijft, zodat een ander het kan lezen.

Ik noem mijzelf geen schrijver, maar een denker en een mens. Ik noem mijzelf een vlekje in de wereld van vandaag. Ik noem mijzelf een kijker, een vliegje aan de muur. Ik noem mijzelf een spion in mijn eigen gebied.

Maar toch noemen zij mij een schrijver, de mens van het inkt. De man die verwoorden kan, wat hijzelf ervan vindt.

En zo blijk ik toch een schrijver, een man van vele woorden. Een zin is nooit genoeg, dus ik laat er velen horen. Ik noem mijzelf een schrijver, omdat ik zeg wat ik nu denk. Over het leven en de wereld. Over leven en het leed. En daarom,

Ze noemen mij een schrijver. . .

De baggerheid van de winter.

De winter komt eraan. Ik merk het nu al. De duisternis is buiten altijd net iets te snel, en ergens lekker opwarmen zit er ook niet meer in. De winter ligt om de hoek, en we voelen het allemaal van binnen.

En dan niet alleen de kou die wordt veroorzaakt door een afnemende temperatuur omdat de zon nu eenmaal verder van ons verwijderd is. We voelen ons ook somberder. We verliezen de pracht van het leven uit het oog. De momenten van zeur en verdriet gaan beginnen.

Stop daarom allen even, en denk na over wat u doet. Kijk even om je heen, en denk even na. Ga niet als een schaap zonder kop achter elkaar over de dam heen vliegen, maar volg je eigen pad. Wees niet een meeloper die verzeilt raakt in zijn ritme. Dit zorgt voor verdriet.

Wees niet die ene holbewoner, die na het uitvinden van het vuur direct in paniek rondjes gaat rennen, en al OehOehAaah roepend ieder ‘medemens’ gaat slaan. Maar wees degene die heel gefascineerd zijn hand in het vuur steekt. Het doet wel eventjes pijn, maar jij bent goed bezig. Jij kijkt om je heen en je bent nieuwsgierig naar de wereld.

Jij durft op reis te gaan naar een onbekende plek. Jij bent niet bang voor wat de wereld je gaat brengen. Wees een persoon die risico durft te nemen en die daardoor een klein lichtje in zich weet te laten ontbranden. Ga op avontuur en bleef de wereld. Kijk om je heen en aanschouw. Laat het op je inwerken, denk er over na. Laat het je verwarmen.

Je zult het nodig hebben in deze moeilijke, koude tijden. Laat het leven je omhelzen, voel haar warmte. Kruip niet bang in je holletje, en houdt geen halve winterslaap. Ontdek de wereld, en zorg ervoor dat binnen in jou je eigen zon gaat branden. Zorg voor je eigen licht, zorg voor je eigen warmte.

Wees de avonturier waar jij zo lang van droomde, en ga er op uit deze winter. Voel je niet kut, maar voel je goed. Het zal je helpen, en het zal je veranderen. Doe wat je wil, en. . . geniet.