De trein raast maar door. Ik zit er in, de stoptrein naar het stukje Hemel. Vol spanning zie ik hoe het landschap mij voorbij knalt, en hoe de mensen om mij heen eigenlijk allemaal hetzelfde doen. Ieder kijkt stom voor zich uit naar buiten en bedenkt in zijn of haar hoofd hele scenario’s van het leven.
Ik ben op weg naar de Hemel. “Station Hel-Centraal” hoor ik de conducteur roepen, en ik kijk naar buiten. “ Jezus”, denk ik. “Wat een klotestad.” De junkies springen nog net niet door het kleine openstaande treinraampje om je geld en je iPod te jatten, maar echt veel scheelt het niet.
De trein vertrekt weer, ik voel de kracht in mijn maag. De stoel lijkt zich om mij heen te vormen naar mate we harder rijden. De conducteur komt langs. Hij vraagt mijn kaartje, ik laat het zien…
Het is niet duur voor een enkeltje naar de Hemel. Een retourtje zal ik namelijk niet nodig hebben. De trein zal mij vandaag niet meer mee terug nemen. Heen is voorlopig genoeg.
Hij kijkt naar mijn kaartje en vraagt of ik ook mijn kortingskaart kan laten zien. Ik zeg natuurlijk meneer, maar het was toch even zoeken. De conducteur kreeg er schijnbaar een beetje genoeg van, zei dat hij het dan maar moest geloven en ging weer haastig verder. Tja, dan niet hè. Lul.
Station Hel-West, nog net iets minder Hel dan Centraal, maar toch zou ik er niet willen wonen. Hierom heb ik dus liever de sneltrein. Want één keer Hel is genoeg voor mij. Maar omdat de snelle om .49 ging, wat ik niet haalde, en de stop om .59, werd het toch maar de stoptrein. Veel keus had ik niet, of ik zou nog een half uurtje moeten wachten. Nu klinkt dat niet lang, maar als je naar de Hemel kan, dan wil je dat ook meteen.
Agh, de Hemel, goede plek op Aarde. Nog even en ik ben er. Vooral nu we weer rijden en de Hel achter ons laten. Straks is het nog maar een keer stoppen, en dan aan een stuk door naar jou.
Het station tussen Hel en Hemel. Tussen het kwijnen en het genieten. Tussen de junkies en de kakkers. De verlossing voor de Hellenaren, maar de boetedoening voor de Hemelnaren. En slechts een object voor het Aardse.
Mijn laatste rit is aangebroken. Het is nu, en dan voorlopig nooit. De laatste lootjes wegen het zwaarst zegt men, maar mij doen ze alleen maar zweven. En zweten. Nog even, heel even. En dan ben ik er.
Ja, daar is het dan. Het eerste perron komt in zicht. Eindelijk is het zover. Ik ga je weer zien. Daar is het, het naambordje. En daar de grote groep met mensen. Daar ergens sta jij. De trein stopt, ik stap uit. Ik kijk rond, op zoek naar jou.
Jij komt de trap op lopen, je ziet nog net de trein aankomen. Jouw hart bonkt in jouw keel en je kijkt al stiekem door de raampjes of je mij al ziet. Jij hoopt het zo. Jij wilt het zo. Nog even en wij zijn weer samen.
Ik zoek jou, ik kijk naar de trap. Ik zie jou daar niet. Zou je er al zijn? Waar ben je, en waar blijf je? Ik kijk naar links, rechts en voor me. Ik zie jou niet. Ik draai om, kijk achter me.
Je zag mij meteen staan. Verward kijken, paniekerig doen. Stiekem kwam je achter me staan, en wachten tot ik je zou zien.
Ik draaide me om, en daar stond jij dan. Het mooiste meisje dat ik ooit had gezien. De pracht in jouw ogen zeiden genoeg tegen mij, woorden hoefden niet meer gesproken te worden. We waren meteen gelukkig. Ik buig me naar jou toe. Ik voel jouw lippen op de mijne, we omhelzen elkaar.
Daar staan we dan samen, in de grote groep mensen die als een grote wolk om ons heen zal verdampen. Langzaam zal hij verdwijnen, maar nu staan wij daar middenin. Gelukkig, samen, in elkaars armen en de monden op elkaar.
Daar staan wij, met zijn tweetjes. Samen op perron 4, station Breda. Eindstation van deze trein.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten