19.11.10

Door de storm.


Op een koude lentedag, in het begin van mei. Snijdend door het 
landschap, rijdend in een lijn.

Het is echt stormweer, de regen knalt tegen het raam. Het dak lijkt te 
kraken door de druppels die vallen. De grijze wolken maken het donker, 
de warmte van hierbinnen lijkt misplaatst.

Ik kan niet veel zien door de ramen. Het temperatuurverschil heeft ze 
doen beslaan.

Maar het is een mooi gevoel zo, door de storm in de trein. Iedereen 
kijkt naar buiten en alle stemmen zijn stil. Allemaal luisterend naar 
de storm van vandaag.

Het.



Het is hetgeen wij het liefste willen, 
maar niet kunnen besturen.


Het is het geen wij het hardste nodig hebben, 
maar niet kunnen creƫren.


Het is het geen wij naar verlangen, 
maar nooit meer zullen krijgen.



Het gaat aan ons voorbij.

Wij kunnen het niet tegenhouden.
Het gaat altijd door.




Het is het enige dat alles bepaald.

Het alles dat ooit zal blijven.

Het enige, dat altijd zal blijven.




Het is alles, volledig, compleet.

Het is eeuwig, eenzijdig, ondoordringbaar.

Het is onaantastbaar, ongrijpbaar.



Het is van ons, van iedereen, van alles.



Het is er.