13.9.10

Wie wij zijn.

Chapter 1
Je keek me aan met een blik van herkenning. De dokter zei dat het onmogelijk was. Je zou het je nooit meer kunnen herinneren. Maar toch zag ik iets in die blik. Een klein vonkje.

Ooit waren jij en ik wij. We gingen samen. Samen onze eerste date. Samen onze eerste kus. Samen ons eerste diner. Samen ons eerste appartement. Samen naar jouw eerste vlucht naar New York.

Je moest weg voor je eindstage. Je had iets moois gevonden in New York. Je had altijd al daar heen willen gaan, maar het was er nooit van gekomen. En nou mocht je zomaar een half jaar daar betaald verblijven. Je was dolgelukkig.

Ik iets minder.

Ik was je voor een half jaar kwijt, dat wist ik zeker. Maar ik troostte me met de gedachten aan je terugkomst. Dat moment dat ik op Schiphol zou wachten, tot jij door die schuifdeuren kwam die je altijd ziet bij Hello Goodbye. Ik zag het zo voor me.

Het was de avond dat ik jou op zou halen. Een ping van mijn beste vriend, rond 8 uur. “Kijk nu op ned. 1” stond er. Ik zet het nieuws aan en het eerste dat ik zie was een staart.

Een staart van een vliegtuig. Het lag ongeveer 50 meter verwijderd van de rest van het vliegtuig. Althans, wat daar van over was. Een wrak.

Ik keek snel op het papiertje waarop ik die sms van jou had geschreven. “Staartnummer: PH-CKC” stond ergens halverwege. Ik keek weer naar het scherm. “PH-CKC” stond daar ergens.

Chapter 2
Ik was verdoofd. Zo verdoofd dat ik het commentaar van die vrouw, hoe heet ze ook al weer, niet hoorde.

Ik spoelde terug, terug naar het begin van het bericht. “Vliegtuig vanuit New York … type 747-400F van KLM … neergegaan nog voor de landing … woonwijk … één overlevende … overgebracht naar het ziekenhuis”. Mijn aandacht werd opeens getrokken. Mijn hart ging tekeer.

Het volume ging harder, ik wilde niets missen. “De politie geeft geen commentaar over de situatie van de vrouw of hoe zij deze ramp heeft kunnen overleven. Wel heeft de politie te kennen gegeven zo spoedig mogelijk contact te zoeken met haar familie…”.

Uren heb ik gezeten en alleen maar gestaard naar mijn telefoon. Uren heb ik niet bewogen, niet geslapen, niet gegeten, niet gedronken. Uren heb ik gehoopt en gebeden.

En opeens, toen ik bijna in slaap viel. Lichtte mijn display op. De trilfunctie begon en, precies zoals ik had ingesteld, daarna mijn ringtone. En zo cynisch als het maar zijn kon, was het een nummer van het album “There’s Something About Airplanes” van Death Cab for Cutie. Ik weet alleen niet meer precies welke.

Met trillende handen nam ik op. Het deed me goed om de stem van jouw moeder te horen. Niet alleen omdat  het de kansen vergrootte, maar ook omdat die stem mij altijd kalmeert. Ik wordt er rustig van.

Een traan kwam uit mijn oog toen ik het hoorde. Mijn wens, mijn grootste gebed was gehoord. Jij was die ene vrouw. Die wonderbaarlijke vrouw die de ramp had overleefd. Hoe kon het…

Chapter 3
Ik zat in de auto, onze auto. Het was stormweer, de eerste herfstdag van het jaar. De tegemoetkomende auto was alweer voorbij dus ik zette het groot licht weer aan.

De afrit was al in zicht. Ik had deze afrit al zo vaak genomen, maar nog nooit had ik dit gevoel erbij. Het was ondragelijk. En de storm midden in de nacht hielp er ook niet bij.

Jouw huis lag vlak naast de snelweg. Je had me ooit verteld dat je ouders hierdoor nog erg twijfelde of ze het, ondertussen weer 6 jaar geleden, wel zouden kopen. Gelukkig deden ze dat. Het is een mooi huis en binnen merk je er niets van.

We hadden toen ook nog samen jouw kamer ingericht, ik weet het nog wel. Het was helemaal zoals je oude kamer was. We hadden iedere bouwmarkt in de buurt afgezocht voor dat zelfde behangetje. Dat was een leuke tijd.

Ik stapte uit de auto uit en rende meteen door naar de voordeur. Ik had mijn pak nog aan, niet de mogelijkheid gehad me om te kleden. Ik belde al aan en de deur werd meteen open gedaan. “Ze ligt in Amsterdam” zei je vader en hij deed zijn jas aan.

Jouw moeder stond daar nog achter, haar ogen waren rood. Ik zag meteen dat zie die ene ketting om had. Die ze ook om had toen zij het ongeluk overleefde. Ze geloofde heilig in dat kruis.

We sprintten alle drie naar de auto. Ik ging weer achter het stuur en je ouders achterin. Zoals dat altijd ging.
Maar die plek naast mij was leeg. Altijd als je ouders er bij waren, zat jij naast mij. Maar deze keer, deze keer was het anders. Jij was niet hier, je was in Amsterdam.

En daar gingen wij heen.